Niet lullen maar poetsen? – Sterker door Strijd!

25 juli 2014
in Category: CENTRUM
0 3023 4
Niet lullen maar poetsen? – Sterker door Strijd!

Niet lullen maar poetsen? – Sterker door Strijd!

Rotterdam is een stad van harde werkers en ziet zichzelf graag zo. De wat hyperbolische uitspraak van Deelder dat het geld in Rotterdam wordt verdiend, in Den Haag wordt verdeeld en in Amsterdam over de balk wordt gesmeten is een uiting van dit cliché. De uitdrukking ‘niet lullen maar poetsen’ lijkt het officieuze motto van de stad te zijn geworden.

Het ‘niet lullen maar poetsen’ doet mij onwillekeurig denken aan Boxer, het werkpaard uit Orwell’s Animal Farm. Boxer is in Orwell’s verhaal een trouwe, harde werker wiens vermogen om steeds harder te werken slechts wordt overtroffen door zijn grenzeloze naïviteit. Voor hem is hard werken zowel de oplossing voor alle mogelijke problemen op de boerderij als een vlucht van de problemen die desondanks natuurlijk gewoon blijven te bestaan. Uiteindelijk werkt Boxer zich dood als gevolg van de schaamteloze uitbuiting door de varkens die de dienst uitmaken op de boerderij en als finale vlucht uit zijn ellende. ‘Wie niet steelt of erft moet werken tot hij sterft’ en in Rotterdam daalt de criminaliteit en is de armoede groot en groeiende. Toch is het beeld van de Rotterdammer als werkpaard dat zich zomaar voor ieder karretje laat spannen veel te eenzijdig. Hoe graag onze werkgevers het ook zouden willen, in werkelijkheid hebben Rotterdammers regelmatig een indrukwekkend vermogen tot zelforganisatie en rebellie laten zien en hebben we een reeks grote denkers voortgebracht.

Van de eerste Rotterdamse wilde bootwerkersstaking in 1889 tot de stakingen van vele tienduizenden Rotterdammers in 2004 kwamen Rotterdamse werkers voor zichzelf en voor elkaar op. Tijdens de grote wilde havenstakingen van 1970 en 1979 – beide stakingen die wekenlang aanhielden – kregen ze geen steun van de vakbonden en organiseerden ze zelf enorme netwerken van actie- en solidariteitscomités die ervoor zorgden dat de vele duizenden gezinnen van havenwerkers dagelijks te eten hadden en hun strijd konden voortzetten.

Ook is Rotterdam altijd een stad geweest van radicale denkers. Vandaag zien we hier iets van terug in Willem Schinkel, Henk Oosterling en Zihni Özdil, maar de voorbeelden gaan terug tot de Vroege Verlichting in de 17de eeuw, waarin Rotterdammers een grote, zij het grotendeels vergeten rol speelden. Het belangrijkste voorbeeld hiervan was Pierre Bayle (1647–1706) ‘De Filosoof van Rotterdam’, een politieke vluchteling uit Frankrijk die zich in 1681 in Rotterdam vestigde en een belangrijke rol speelde in de intellectuele strijd tegen het katholicisme en tegen de radicale calvinisten die er in de 17de eeuwse Nederlandse Republiek theocratische ambities op nahielden.

Pierre Bayle RIO

Pierre Bayle

Bayle kwam op uitnodiging van de liberale regent Adriaen Paets naar Rotterdam om als filosofie- en geschiedenisdocent te gaan werken aan de Illustre School. Na enkele jaren stichtte hij de Nouvelles de la République des Lettres (Nieuws uit de Republiek der Letteren, 1684-87), een belangrijk intellectueel tijdschrift dat in heel Europa werd gelezen en Bayle’s naam vestigde binnen de ‘Republiek der letteren’. Ook begon hij met het schrijven van boeken die aanvankelijk anoniem verschenen wegens de nogal subversieve inhoud.

Bayle was een van de meest radicale verdedigers van het vrijdenken. Indertijd werden moderne filosofische ideeën als een gevaar voor het geloof en (daarmee) voor de gemeenschap gezien. Bayle begon zijn carrière als schrijver met een frontale aanval op het bijgeloof in het boek Pensées diverses sur la comète (diverse gedachten over de komeet, 1682), waarin hij met het idee afrekent dat kometen een voorteken voor naderend onheil kunnen zijn.

Later zette hij een stap verder door te stellen dat een rationeel onderscheid tussen religieus geloof en bijgeloof onmogelijk is. Bovendien bestreed hij het idee dat (religieuze) ideeën van invloed zijn op het morele handelen van mensen en verdedigde hij op die basis dat een samenleving van atheïsten best een moreel deugdzame samenleving zou kunnen (en misschien nog wel moreler dan een religieuze samenleving, omdat religie vaak een obstakel vormt voor het redelijke denken).

Dit betekende dat redelijkheid en geloof elkaar uitsluiten, waarmee het project van gematigde Verlichters om filosofie en het christendom juist te verenigen bij voorbaat tot falen gedoemd was. Bayle’s oplossing was om tegen beter weten in te geloven – maar waarschijnlijk was dat slechts voor de bühne en was hij eigenlijk ongelovig. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Bayle onder druk van de Franse calvinistische gemeenschap werd ontslagen als docent.

De calvinisten, maar ook gematigde Verlichters als John Locke (die veel bewondering voor Bayle had, hoewel dat niet wederzijds was) waren niet erg te spreken over dit idee. De dominante opvatting – die ook Locke in zijn tolerantie-theorie verdedigt – was dat atheïsten niet te vertrouwen waren, omdat zij niet op God konden zweren en dus geen enkele reden hadden om zich aan hun woord te houden.

Aan het eind van zijn leven schreef Bayle zijn hoofdwerk, de Dictionnaire Historique et Critique (Historisch-kritisch Woordenboek, eerste uitgave 1697), een duizenden pagina’s en vier dikke delen tellend biografisch woordenboek waarmee niet alleen een geschiedenis van het denken werd geschreven, maar waarin ook allerlei filosofische en religieuze ideeën worden ontleed en aan de rede worden getoetst. Het ‘arsenaal van de Verlichting’, zoals Voltaire het noemde werd het meest gelezen boek van de 18de eeuw en had een immense invloed op de latere Verlichting.

Maar hoe groot zijn invloed in de 17de en 18de eeuw ook was – tegenwoordig kennen slechts weinigen Bayle’s naam nog. In het hedendaagse Rotterdam vinden we slechts nog hier en daar een bankje en is er een Pierre Baylestraat. Dat we onze grootste denker vergeten zijn is misschien exemplarisch voor de blinde vlekken in ons zelfbeeld. “Wij hebben altijd gewerkt.” – Inderdaad, maar we hebben ook gevochten, kant gekozen en kleur bekend. We zijn eigenzinnig geweest én solidair, we kwamen altijd al overal vandaan, maar we vonden elkaar hier.

Laat ons daarom ophouden met het stompzinnige ‘niet lullen, maar poetsen’. Het officiële motto van onze stad – Sterker door Strijd – dekt veel beter de lading van het Rotterdammerschap. Tegelijkertijd – en dat is misschien waarom we bij ons officiële motto over het algemeen nog slechts aan Feyenoord denken – betekent zo’n motto ook een opgave om eraan te voldoen. Zo beschouwd is het ‘niet lullen maar poetsen’ misschien een vijgenblad, een voorbewust besef van wat we zouden kunnen zijn maar nalaten, een slaafs motto voor een te slaafs geworden stad.

 

Jeroen van der Starre

 

 

Reacties

stuks

, , , , ,