Stadslandbouw zorgt niet voor een gezellige buurt

25 juni 2015
in Category: COLUMNS, ZUID
0 1859 0
Stadslandbouw zorgt niet voor een gezellige buurt

Stadslandbouw zorgt niet voor een gezellige buurt

Een paar jaar geleden was literatuur over de sociale effecten van moestuinen amper te vinden; een stoffige beleidsnota van de deelgemeente over subsidie op volkstuincomplexen was zo’n beetje alles. Nu wordt stadsgroente de hemel in geschreven als tovermiddel voor stedelijke kwalen. Esther Veen, kersvers doctoranda van de landbouwuniversiteit, deed een boekje open: haar waarde-onderzoek plaatst kanttekeningen bij de Haarlemmerolie van het utilitair tuinieren. ‘Stadslandbouw leidt niet altijd tot gezellige buurt’ is de voorzichtig prikkelende titel van een persbericht.

Als je 230 pagina’s Engelse tekst hebt doorgewerkt ben je veel wijzer; de samenvatting van 40 pagina’s volstonden me echter. Esther rekent vooral af met de alternatieve hippiecultuur die de revolutie predikt van lokaal geteeld, biologisch voedsel. Niemand die met z’n handen in de grond wroet noemde haar zo’n motief. Slechts een enkeling haalt z’n dagelijks voedsel (hoofdzakelijk) uit eigen tuin. En die krijgt dat voor elkaar met kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Moderne yuppen, die aan het stalletje kopen, staan zich er soms op voor. Maar haar onderzoek leert dat die net zo makkelijk naar de Aldi of de snackbar rennen als het effe niet uitkomt.

Esther maakt verschil tussen volkstuincomplexen en buurttuinen. Bij de volkstuinen staat tuinieren centraal en kan je buurman op de tuin in een heel ander deel van de stad wonen. Het is gezellig om, leunend op de schop, een praatje te maken maar het beklijft niet. Met een nieuwe buurman is het net zo leuk en uit het oog, uit het hart. Beleidsmakers die vanuit het gezamenlijk tuinieren verwachten dat er een systeem voor onderlinge zorg o.i.d. ontstaat, worden gewaarschuwd voor hooggespannen verwachtingen.

Buurttuinen zijn opgezet vanuit een ander doel: samen met de omgeving iets leuks doen, in dit geval eten verbouwen. Bij geslaagde projecten vormt de tuin ook een ontmoetingsplek voor andere activiteiten als buurtmaaltijden en theatervoorstellingen. De bonen en de prei zijn, in dat geval, belangrijke bijzaak. Vanuit zo’n tuin ziet Esther allerlei relaties tot onderlinge steun ontstaan die het tuinieren overstijgen. ‘Da’s mooi’, zou een wethouder kunnen denken, ‘Verloren stukkie grond en een waterkraan, laat de boeren maar dorsen en een vinkje bij de WMO.’ Onderzoekster Veen heeft ook voor hen een vermanend vingertje: waar geen sociale infrastructuur bestaat komt geen tuin van de grond, op barre steen wil niets kiemen. Daarbij scoren buurttuinen een hoog OSM-gehalte. In homogeen samengestelde wijken vinden we elkaar blindelings; allemaal yuppen bij elkaar (of tokkies, afhankelijk van de ligging). Maar in heterogeen samengestelde wijken ziet Esther dat de scheidslijnen zich op de tuin, vaak onbedoeld, voortzetten. Het vrijblijvende karakter van groente verbouwen die bij de supermarkt ook te koop is, samen met het zelforganiserend karakter van buurtinitiatieven, maakt dat uitsluitingsprincipes makkelijk insluipen.

Tuin

Ik voorzag een mijnenveld vol valkuilen, vele heb ik vermeden maar ben er toch ingetrapt.
Persoonlijk vind ik dat Esther met 230 pagina’s een flinke aanloop neemt om open deuren in te trappen. Pim Fortuyn placht betweterig journalisten te pareren met ‘leest mijn boek’. In dit geval zou ook ik kunnen verwijzen naar ‘Losgebroken welzijnswerker in het groen’ waar ik in 18 anekdotische columns een soortgelijke boodschap uitdraag. Maar nu is het wetenschappelijk bewezen en dat scheelt.

De Biemans-doctrine waaronder we in de Afrikaandertuin werken schrijft voor dat hekken of andere fysieke barrières uit den boze zijn. Daarnaast is de inzet van de officiële tuinman schraal, hooguit twee dagen in de week. Dit betekent dat wij niet uit te maken hebben wie er op de tuin komt en alle hulp nodig hebben om er iets moois van te maken. Desondanks willen we graag de leiding houden om daarmee te voorkomen dat één groepje de overhand zou krijgen. Ons tuinhuisje met gereedschap is daarbij de basis. Door schade en schande heb ik geleerd dat het ideaal ‘heel de wijk een sleutel’ niet werkt. Op een steenworp afstand liggen twee tuinen: onze Afrikaandertuin en boven ons de Rotterdamse Munt. Met de aanleg van ons moestuincomplex ‘olifantenkraal’ zijn de tuinen fysiek en qua karakter naar elkaar gegroeid. Daardoor wordt duidelijk dat we verschillende groepen bedienen. Waarmee Esther toch een beetje gelijk krijgt. Gelukkig kunnen we goed met elkaar opschieten en ligt er wekelijks een navelstreng waardoor we, ook in droge tijden, ons kwetsbare pootgoed in leven kunnen houden.

 

Frank/Janine
Begon 3 ½ jaar geleden op de tuin om iets om handen te hebben en de reiskosten naar Rotterdam betaald te krijgen. Inmiddels projectleider met 11 man, een moestuincomplex en een openluchttheater. Jammer dat in dezelfde periode haar/zijn inkomen omgekeerd evenredig afnam.

 

 

Reacties

stuks

, , , , ,